Wat doe ik als de groep in de weerstand schiet? Kan ik daar wel mee omgaan? Deze vraag stelde ik laatst aan mijn coach. Ik spar graag met haar over werkvormen die ik in groepen in wil zetten.

Haar antwoord was gelijk raak: ‘vergeet alsjeblieft de sportjuf niet, die jij ook bent’.

Huh, dacht ik? Ja, ik geef in mijn priv├ętijd les op een sportschool, maar dat is toch iets heel anders? Voor mij zijn dat echt twee werelden: mijn rol als procesbegeleider, en mijn uit de hand gelopen hobby als instructeur op de sportschool.

Verklaar je nader? “Tja”, zei ze, “als jij lesgeeft, ga je je ook niet afvragen wat er gebeurt als iemand niet mee wil doen. Nee, je doet gewoon je werk. Je motiveert je klanten, zoekt naar alternatieve oefeningen en inspireert hen om toch mee te doen. Ieder op zijn eigen tempo”.

Je motiveert je klanten, zoekt naar alternatieve oefeningen en inspireert hen om toch mee te doen. Ieder op zijn eigen tempo.

“En, als iemand echt, echt niet wil, dan niet. Dan staan er nog 20 andere klanten in de zaal waarmee je wel aan de slag gaat. Bedenk ook dat klanten komen omdat ze iets willen bereiken, ze hebben een doel. Als ze taartjes willen eten, staan ze echt niet in jouw les hoor.”

Oh ja, het kwartje viel langzaam. Doe waar je goed in bent, en blijf bij jezelf. Raak niet verstrikt in allerlei rampscenario’s. Je mag er wel over nadenken, maar het is geen uitgangspunt. Vertrouw erop dat deelnemers mee willen werken. Leg uit waarom je iets doet, en wat het resultaat is wat je ermee wilt bereiken. Dat helpt. En, maak ook gebruik van checkvragen. Is het tempo goed, snap je waar we zijn en wat we doen, ben je er nog bij?

Mijn conclusie: ik begin in te zien dat deze vragen voor beide ‘beroepen’ van toepassing zijn. Er zit meer overeenstemming in het werk van een procesbegeleider en dat van een sportinstructeur dan ik altijd heb gedacht …..

Leave a Reply 0 comments